Er zijn geen afbeeldingen van de kapel bekend, maar dat er een klein torentje op het kapeldak prijkte,
weten we uit een kasboekje, dat afkomstig is uit Den Hoorn en bewaard wordt in het Bisschoppelijk Archief te Haarlem.
Hierin staat op bladzijde 39 nauwkeurig vermeld, welke kosten er gemaakt zijn bij de bouw, die bekostigd werd
uit de nalatenschap van Aachte, echtgenote van Cornelis Simonszoon. We lezen hier wat de klak, de tras, de stenen
en de appel op het torentje gekost heeft. Ook het loon van de metselaar, de timmerman, de schilder en van de beide leidekkers staat vermeld.Het gesmede ijzeren kruis,
dat zo scherp afstak tegen de bewolkte polderluchten, moet een heel mooi exemplaar geweest zijn, want de prijs bedroeg drie Hollandse ponden en dat was meer dan een kwart van de gehele bouwsom.
De bouw van dit torentje moet hebben plaats gevonden in de jaren 15-10-1537. Het was namelijk de schrijfhand van Pieter Claesz. die in deze periode kapelmeester was.
Den Hoorn behoorde tot de parochie van het Woudt. Daar werden de Hoornse mensen gedoopt, getrouwd en begraven. Maar de kapel lag op het gebied van de Oude Kerk van Delft, dat tot aan Tanthof reikte.
De bedienaars van de kapel
De priesters, die werden aangezocht om de Hoornse kapel te bedienen, waren zelfstandige, meestal Delftse geestelijken, die hun vergoeding van de kapelmeesters ontvingen.
Zo werd bijv. op 10 augustus 1510 aan Heer Willem Jansz. Vlasman 5 Hollandse ponden uitbetaald voor de missen, die hij in het eerste halfjaar in de kapel had opgedragen. In 1511 werd dit gedaan door Heer Jochum pr. zoals blijkt uit het kasboekje. Na enige jaren werd deze in 1515 opgevolgd door de Delftse priester Meester Joost Pijnsen. Zijn meestertitel wijst erop, dat hij vermoedelijk in Leuven kerkelijk recht gestudeerd had, want Nederland bezat toen nog geen universiteiten. Hij was ook vicaris van het Maria-altaar in de Oude Kerk.
Van 1518 tot 1540 was Heer Jan Jansz. de Vet aan de Hoornse kapel verbonden. We weten nu, dat hij aan de smalle zijde van de Buitenwatersloot woonde in een eigen huis met een hypotheek van het kapelbestuur, want in het Bisschoppelijk Archief te Haarlem wordt een oorkonde bewaard uit 1532, die luidt als volgt: “Wij, Pieter Claesz, Simon Jansz. en Ewout Jacobxz. kapelmeesters van de Onze Lieve Vrouwekapel op Dijkshoorn, bevestigen voor ons en voor onze nakomelingen, dat Heer Jan Jansz. de Vet, priester,
ons jaarlijks schuldig is een Vlaams pond als een losrente van 6¼ % van een hypotheek groot 16 Vlaamse ponden op zijn huis en erf gelegen aan de noordzijde van de Buitenwatersloot…….enz. ( deze tekst is door de auteur aangepast aan de huidige spelling. )
Over het aantal missen staat op bladzijde 27 van het kasboekje te lezen: “Heer Jan sal 3 myssen te weeck doen ende sal daervoir hebben 23 ponden Hollants jaers.”
Omdat zo’n Hollands pond 20 stuivers waard was, ontving Heer Jan dus per mis 3 stuivers. Toch was dat nog niet zo slecht betaald, want de pastoor van de grote Oude Kerk te Delft kreeg daar gewoonlijk twee stuivers voor. De schrijver P. Noordeloos noemt dit in zijn boek “Pastoor Maarten Donk, 1558-1572.” op blz. 81 een normaal stipendium.
De slechte economische toestanden in de 16e eeuw hadden ook invloed op de inkomsten van de kapel. Men moest bezuinigen en aanpassen. In het jaar 1532 lezen we dan ook “Heer Jan betaelt tot Lichtmis toe ende van die tijt an sal Heer Jan twie myssen doen, daer hij seventien pont jaers of hebben sal.”
En toen de tijden nog beroerder werden, heeft men de pastoor van Schipluiden ( de laatste pastoor van het Middeleeuwse kerkje aan de Rijksstraatweg ) gevraagd om wekelijks één mis te lezen in de Hoornse Mariakapel. Hij heeft dat 14 jaar gedaan van 1558-1572. In het Haarlemse Archief is nog aanwezig een door deze pastoor eigenhandig geschreven briefje, gedateerd 14 oktober 1568, waarin hij bevestigt zijn misstipendia ontvangen te hebben.
Uit de betalingen door de kapelmeesters gedaan weten we oa. dat het kapeldak met leien was bedekt en dat die leidekkers voor een dag hard werken zes stuivers ontvingen.
In 1564 waren er wat ruitjes gesneuveld, want er staat genoteerd: “Betaelt den glaesmaicker……32 stuivers.” De muren waren van binnen gewit. Er hing een koperen kaarsenkroon. De overgeschoten eindjes kaars van bijenwas gemaakt, weren door de kaarsenmaker weer tot nieuwe kaarsen omgesmolten, zo blijkt uit oude rekeningen. Er stond geen doopvont, preekstoel of ander meubilair in dit kerkje. Alleen was er een altaar met een Mariabeeld, wat bloemen en kandelaars. De Mis werd staande of knielend bijgewoond. Verwarming was niet aanwezig.
Als het in de winter erg koud was, stond er naast het altaar een schaal met gloeiende houtskool. Daar kon de priester zijn handen tijdens de dienst wat warmen. Een heel bijzondere rekening uit de jaren 1520-1523 is die van het nieuwe Mariabeeld. Op pagina 24 staan namelijk “Het beelt van Onse Lyeve Vrou in de Sonnen heeft gekost……” en dan volgen de bedragen uitbetaald aan de beeldhouwer en aan de schilder, die het eikenhouten beeld zo prachtig beschilderde. Gedurende vijftig jaren heeft het beeld van ‘Maria in de Sonne’ in een krans van gouden stralen in deze kapel gehangen tot het rampjaar 1573.
|